Nepbloemen en echte kussen

Ik loop door een tunnel van neprozen en pioenen. Voor me maakt een knappe grijze vent een video van een opgedirkte oosterse barbiepop. Ik vermoed dat hij, als bekwame sugardaddy, haar geeft wat ze wil — een opvulling als energieboost voor haar nog ontluikend ego. Al moet ik eerlijk bekennen: ontluikend is niet echt het juiste woord. Eerder volgroeid en buitenproportioneel.

Ik wacht met passeren terwijl hij haar filmt, terwijl zij charmant paradeert en zich spontaan omdraait met bijpassende pruilmond. Hij beëindigt het filmen en glimlacht verontschuldigend naar me, terwijl hij goedkeuring krijgt voor zijn sublieme filmkwaliteiten. De tunnel van bloemen laat een penetrante smaak achter. Ik haat het als die synthetische luchtverfrissers me steeds van de wijs brengen en me doen kokhalzen — al is dat binnensmonds. Na vele jaren oefenen ben ik daar ondertussen een expert in.

Ik sla links af en kom terecht in het straatje van het populairste biercafé van Hasselt — waar ik mijn eerste Kriek van Lindemans dronk. Toen ik nog kon drinken zonder er lucht in mijn lijf van te ontwikkelen. Ondertussen is bier absoluut uit den boze — darmen en glutenintolerantie gaan niet samen.

Ik passeer jonge mensen die op het terras zitten. Ze lijken allemaal op elkaar — meisjes met lang, sluik haar, jongens met een outfit identiek aan die van de meisjes. Het doet me denken aan de hippiejaren, vermengd met mijn puberjaren. Mijn ouders hun puberteit versmolten met de mijne — een misplaatste tijdscapsule lijkt het wel.

De laatste jaren zijn er nieuwe zaakjes opgedoken in het straatbeeld. Al woon ik amper vijftien minuten hiervandaan, toch is het straatbeeld me vreemd. Enkel de gebouwen groeten me herkennend. Ik voel me thuis — en ook niet.

Mijn stilteplekje. Het enige echt rustige plekje, in een leuk afgelegen steegje — waar ik net passeerde voordat die irritante luchtverfrisser mijn neuspapillen deed schreeuwen — is omgebouwd tot loungebar. Met, jawel, nepbloemen en een supertrendy barelement in het midden.

Echt. Waar is mijn bankje? En de bronzen beeldjes in de nissen van het grasveld, die er stiekem stonden te blinken? Shit — vooruitgang is weer achteruitgang. Ik kon enkel de boomtoppen zien in de vallende avond en wenste hen treurend veel sterkte.

Ik sla rechts af en zie het barretje waar ik een afspraak heb. Lust — lust naar verlangen, of “ik heb zin in iets”? De avond zal het wel uitwijzen.

Mijn date van vanavond zit al scrollend op het terras. Ik herken hem en hij mij ook.

“Ik neem liever naast u plaats” — en ik plof neer in een zachte fluwelen stoel. Hij is niet onaangenaam, maar ik merk al snel: zeer alledaags. De man heeft al wat meegemaakt — het ene rouwproces na het andere, en dan een ex die niet zo empathisch was. Ronduit een bitch. Onwaardig voor ons soort. Ik vrees dat we sommige vrouwen toch een cursus “waardige vrouw zijn” moeten aanbieden. Soit — de man zocht iets wat ik niet kon bieden. Een klaagmuur of gratis therapeut — die fases ben ik gelukkig gepasseerd.

Hij vond de tien minuten wandelen van de parking naar het café al te veel, leek het. Dus bood ik hem een rit naar de parking aan. Op weg naar de auto passeerden we het kokhals-tunneltje. Het deed mijn hart pijn — het ontbreken van de stilte en het grasveld. Mijn date vond de plaatsvervanger erg charmant. Ik kon enkel mompelen dat ik het niet leuk vond. Mijn geheime rustige plekje van weleer is weg. Knorrend loop ik door.

Ik geef hem nog de tip om binnen te gluren bij Huis de Corswarem — waar ik van mijn handen een kijker maak en mijn neus tegen het venster druk om de bruin gesierde lambrisering te zien. Hij bedankt me voor de tip. Ja, Hasselt heeft het. Of toch iets — zolang de vooruitgang er geen achteruitgang van maakt.

We stappen in de auto. Ik bereid mijn date voor op de dropoff — missie: uitstappen bij het rood-op-groen licht. Ik stop. Hij vraagt of we elkaar nog gaan zien. Ik mompel “misschien.” Hij drukt nog een kus op mijn wang terwijl ik gebaar dat hij moet haasten en voorzichtig moet oversteken.

En weg is hij.

Gadver. Die kus was nat. Ik wrijf snel de nattigheid met mijn schouder eraf. Wat is dat toch met die kussen? In mijn kringen geven we lange knuffels, waarbij ik me stevig tegen de ander aandruk, zo lang als het voor mij goed voelt. Bij grote mannen kruip ik soms bijna onder hun oksel, of verdwaalt mijn hoofd in hun hals — wat ik met tijden absoluut aangenaam vind. Die kussen — volgende keer toch een tactiek bedenken om die afscheidskus te omzeilen.

De vorige date, twee dagen eerder, lukte het me wel. Met de onbewuste medewerking van de barman — die, door even te gaan plassen, mijn date liet wachten om af te rekenen — kon ik op het terras een knuffel geven en doorlopen. Strategisch hoofd weggedraaid van zijn mond. Stijaka — dikke duim voor mij.

Die man leek niet op zijn foto’s. Of beter: de foto’s leken niet op een herkenbare man. Hoe ga ik hem nu herkennen? Hij verstopt zich op zijn foto’s. Maar toch — niet getreurd, want het was duidelijk. Ik was er gelukkig eerst en kon een tafeltje onder de verwarmers bemachtigen. Het drukke plein, met af- en aanrijdende auto’s en ziekenwagens met sirenes, maakte het me soms moeilijk om te filteren en bij mijn verhaal te blijven. Ik merkte al snel dat het toch vermoeiend was — en besliste om de volgende keer iets anders voor te stellen. Maar dan: waar dan? Een café heeft muziek, pratende mensen en langslopende obers. Godverdomme — daarom blijf ik de laatste jaren gewoon thuis, met de vogels als mijn metgezellen.

De eerste date was een aangename babbel waarbij ik helemaal mezelf was — en hij tot de conclusie kwam dat hij toch een beetje spiritueel was. Een gesprek voor herhaling vatbaar. Hij stelde voor om voor me te koken, bij hem thuis.

Shit. Nee.

De man had de moedige wil om voor mij te koken. Toen hij de wanhoop in mijn stem hoorde, vroeg hij wat er scheelde.

Mijn intoleranties.

Na een korte uitleg over wat wel en niet kon, hield hij vol. Ik gaf toe.

Ik gaf aan het einde van de date te kennen dat ik de vonk niet voelde. Hij vond dat niet erg. Ik kreeg ook het gevoel — in retrospectief — dat hij wel iets zag zitten in een “verstandsrelatie”. Wat ik absoluut niet zie zitten. Het leek wel alsof hij met voorbedachten rade over zijn rijkdom vertelde — op het moment zelf niet zo duidelijk voor me, maar tijdens het afspelen van de dialogen van die date in mijn hoofd werd het me duidelijk.

Ik date om mensen te leren kennen, om van die verveling af te geraken. Ik kan niet tekenen vanwege het verdwijnende gevoel in mijn vingertoppen. De laatste keer dat ik het houtskool vastnam, verknoeide ik mijn tekening. Identiteitscrisis heb ik ze omgedoopt. Mijn arm deed pijn en trilde — weer meer rouw. De laatste week is de buitentemperatuur wat aangenamer, dus hoop ik het tekenen weer op te nemen. Ook het huishouden werd te vermoeiend. En toen sloeg de verveling toe. En in verveling komen de beste ideeën: ik ga daten! Achteraf zal wel blijken of dat een goed idee was. Mijn mentor Jan moest lachen toen hij hoorde wat de plannen waren. Bewust daten — en langzaam.

Bij de uitgebreide voorbereiding op mijn beslissing om terug te daten — en het wijze besluit om fouten uit het verleden niet meer te herhalen — heb ik me grondig laten informeren via reels. Ja, de kjongste zoon vindt het belachelijk dat ik reels op Facebook kijk. Ik voel me steeds een dinosaurus wanneer hij een spottend snuivend gebaar maakt. Maar ze helpen me, die reels. The Daddy Academy — een New Yorker met petje, ergens in de dertig — geeft absoluut de meest toegankelijke datingtips. Net als een Australisch koppel. Recht voor de raap, zonder omwegen — do’s en don’ts benoemen. Heeft mijn brein wel nodig. Praktisch, soms grof, maar steeds met humor. Ook reels van onder andere het Gottman Institute en een grappige therapeut hebben me de laatste jaren met raad bijgestaan.

Als de kids het huis uit zijn, mag mama haar moederrol afschudden en even doen wat ze wil. Met paralysis tot 11u in bed liggen, een uurtje mediteren — of toch tot een of andere gedachtegang me ertoe aanzet om de timer voortijdig het zwijgen op te leggen. Wat yoga en oefening — blij dat mijn lijf uit zijn pijnlijke winterslaap is ontwaakt. En eten.

Om terug te komen op die dinnerdate, euh… vandaag kwam ik op die toezegging terug. Dus, om trouw aan mezelf te zijn, stuurde ik een vastberaden bericht naar de man in kwestie — gedumpt nog voor hij een fatsoenlijk voorstel had gedaan. Oef. Rust. Terug bij af. De ingetrokken toezegging werd met een lichte, gekwetste bekrompenheid beantwoord. Ik bleef wel welkom, mocht ik de gemiste kans willen herstellen. De intrekking kwam na een onophoudende, onaangename — en soms misselijkmakende — gedachtenstroom van twee dagen. Ik had me voorgenomen om niet meer naar iemands huis te gaan, of iemand bij mij thuis uit te nodigen. Pas na een heel aantal dates op neutraal terrein zal ik schoorvoetend misschien een huis of café in de gemeente van de persoon in kwestie betreden. Eerder niet.

Er kwam net een bericht binnen van Breeze. Een nieuwe date is gepland — een vijftiger met prachtig haar. Vreemd hoe ik, wanneer ik een match heb en terugkijk op hun profiel, hen precies kan lezen — eens hun energie gericht wordt, voel ik hen steeds beter aan. Dus nu ook. “Casual daten” stond erbij — eerst nietszeggend, nu een waarschuwend baken.

“Wits” — ik weet dat dat bestaat. “Use your wits, my dear”.

That’s it for now.