Ik ben zo eentje waar alles aan blijft plakken. Elke gebeurtenis, elke opmerking, elke intonatie, elke beweging van een wenkbrauw — zelfs het pinkje blijft plakken. In mijn hoofd, op mijn lijf, aan mijn ledematen.
Vreemd hoe ik vroeger zo flink moest zijn — en het nu niet meer kan.
Ja, dat niet-kunnen. Dat is een geloof. Een geloof dat ik al een tijdje volg. Het begon toen ik, als bijna-groentemonster, boven mijn bord hing. Een groentemonster zoals iemand zou kunnen zijn nadat zijn of haar gezicht in een bord Provençaalse groenten was gevallen. Courgette, aubergine — met een vleugje tomatensaus.
Het geloof van “ik kan niet meer” volg ik nu ongeveer twee jaar en vier maanden.
Er zijn periodes geweest waarin ik het geloof verloochende, het de rug toekeerde en het voor gezien hield. Waarna ik huppelend door het leven ging — al was het maar voor even. Tot een of ander stukje dat aan me was blijven plakken, opnieuw mijn aandacht opeiste. En ik me genoodzaakt zag om, als vrome gelovige, op te biechten wat er tijdens de periode van verloochening was gebeurd. Over die periode kon ik vertellen hoe mooi het leven was — zorgeloos ook, vol vreugde en liefde voor mezelf en voor de ander.
Na de biecht werd ik weer met open armen ontvangen in de zompige heerlijkheid van “ik kan niet meer”.
Mijn medegelovigen zijn talrijk — al zullen ze niet openlijk bekennen dat ze het geloof belijden. Ze laten zich wel eens verleiden tot een periode van pseudo-“ik kan alles” of “de wereld is mooi”.
Maar net zoals alle stukjes aan mij blijven plakken, heb ik ook oog voor de stukjes van anderen. In een oogwenk zie ik ze ergens plakken — aan een vermoeide wal onder een oog, in het geeuwen van een mond, of in het stilzwijgen van lippen.
De stukjes hebben elk hun eigenheid en zijn zeer karakteristiek voor het geloof van “ik kan niet meer”. Het ene is rond en zwart. Het andere lijkt te zijn ontstaan na de uitbarsting van een orkaan, het afdalen van een lawine, of het passeren van een tornado. Weer een andere is zwaar — als lood in de schoenen. Meestal dragen ze ook een emotie met zich mee: verdriet, weerbarstigheid, frustratie, minachting, woede, angst, zelfverachting — de keuze is veelzijdig.
En zo lopen we dan — met onze stukjes die blijven plakken.
Onlangs kocht mijn geliefde bij de Ikea een rolletje. Zo eentje waarmee je pluisjes van kledij kunt verwijderen — stofjes of kattenharen van de zetel, of konijnenharen na een knipbeurt van een zwarte broek. Het lijkt me in elk geval de moeite waard om te onderzoeken. Zou je zo’n rolletje kunnen gebruiken om de stukjes te verwijderen?
Ach ja. Maar dan zou ik het geloof opnieuw de rug toekeren — en ik ben intussen zeer gehecht geraakt aan de stukjes. Ze horen erbij. Ze zijn nu eenmaal een noodzakelijk attribuut voor de gelovigen van “ik kan niet meer”.
Of zou het kunnen dat het rolletje voorgoed afrekent met de stukjes? En dat ik dan kan terugkeren naar de echte wereld van vreugde en liefde?
Ik hou jullie op de hoogte na onderzoek. En tot die tijd groet ik jullie — mede- en mindergelovigen.