Eén minuut. Eén minuut duurde de teaser van Fabio. Zijn verhaal over zijn vader, opgesloten in Colombia, deed bij mij het verhaal van Abelito opborrelen.
Verhalen die ik begroef — om ze daar te koesteren. Om de kinderen warmte toe te sturen. De kinderen die ik niet kon redden.
Abelito was een jongen van vijf jaar. Hij had drie broers en één zusje. Naar zijn oudere broers keek hij op. De twee anderen waren van geen betekenis voor hem. De kinderen woonden al minstens een jaar in het weeshuis — hun moeder was niet meer in staat om voor hen te zorgen.
Volgens een van de andere vrijwilligers had ze zichzelf met Abelito en de twee kleinsten opgesloten in huis, en had ze geprobeerd zichzelf samen met haar kinderen in brand te steken. De buren verhinderden dat — ze werden gered. Hun moeder werd geplaatst in een instelling. Al kan ik me moeilijk voorstellen wat voor instelling dat dan wel is in Peru. De moeder had nochtans onderwijs genoten — was geleerd, had een degelijk diploma behaald. De vader werkte als drugshandelaar in het Amazonegebied. Hij nam zijn oudste jongens soms mee en liet zijn vrouw en de anderen achter.
Op het moment dat ik Abelito leerde kennen, was zijn jongste broertje achttien maanden oud. Het kind had geen binding met zijn moeder. Een van de señoritas — verzorgsters — werd aangeduid als surrogaatmoeder, om te verhinderen dat hij een bodemloos kind zou worden. Om te verhinderen dat het hem zou vergaan zoals zijn vierjarige zusje. Het meisje was schichtig, wantrouwde iedereen.
Abelito was een trotse, stoere jongen met grootse plannen — of dat wilde hij toch laten uitschijnen. Ik hield van hem vanaf de eerste seconde, net zoals alle anderen. Een guitig manneke, zoals ze het hier zeggen.
In het weeshuis werden kinderen opgevangen van wie de ouders om diverse redenen niet meer voor hen konden zorgen. In het weekend kwamen de meeste ouders op bezoek. Ik zag dan in hun ogen het verdriet en de weemoed. Schaamte ook, soms — goede mensen, met de beste intenties, zoals ouders overal ter wereld. Dankbaar voor de opvang van hun kinderen. De kinderen waren zo blij dat ze hen konden ontvangen.
Voor sommigen was dat moment echter heel pijnlijk — wanneer het beloofde bezoek niet opdaagde, en dat voor onrust zorgde bij de kinderen. Of voor hen die nooit bezoek ontvingen. Zoals de kinderen met een beperking.
Helena werkte op zo’n dag stoïcijns door. Want zij kreeg nooit bezoek. Helena leed aan een gespleten gehemelte — ze produceerde geluiden, maar die waren voor mij, door mijn gebrekkige kennis van het Spaans, quasi onverstaanbaar.
Helena vormde samen met Maria een olijk duo. Helena slank gebouwd met sluik haar — Maria met een krullende bos, een bulderende verschijning van minstens twee keer de omvang van Helena, zo leek het wel. Ik merkte al vlug dat ze elkaars beste maatjes waren. Maria nam soms de vorm van een fort aan — een fort rond Helena — wanneer de zoon van de directeur passeerde. Dan kon ik Maria’s ogen vuurpijlen zien afvuren, en kroop Helena schichtig weg achter Maria’s rug, met een felle blik richting “de prins”.
Wat waren ze vrolijk, dat duo, als ze even een rustig moment hadden — aan de wastobbe of in het speeltuintje. Dan zag ik hen door middel van gebaren en klanken met elkaar communiceren. Op die momenten straalden ze.
Helena leerde me wassen. Ik had als westerling thuis de luxe van een wasmachine gekend — al was het een gehuurd exemplaar in de wasserette in de straat. Helena leerde me kleren wassen met de tobbe, het wasbord en mijn handen. Of beter: mijn knokels.
Ik ving haar blik op, op het moment dat ze mij zag wassen. De ergernis droop van haar mooie porseleinen gelaat. Ze zuchtte, gebaarde naar Maria — onze trouwe tolk — en kwam naar me toe. Ze legde me uit hoe ik de hardnekkige vlekken uit de kledij van de kinderen kon verwijderen door gebruik te maken van mijn gebalde knokels. Ze gaf een uitgebreide demonstratie en keek toen met een kritische blik toe hoe ik het eraf bracht.
Het lukte me aardig — al moet ik toegeven dat mijn techniek niet verhinderde dat ik mijn knokels openhaalde. Haar hele houding ontdooide. Ze toverde een glimlach op haar porseleinen gelaat.
Vanaf dat moment werd ik opgenomen in de kring van het olijke duo. Of toch zo voelde het. Ze waardeerde me — en die waardering zou nog meer vorm krijgen.
In die periode van mijn leven vond ik van mezelf dat ik niet veel talenten had. Zo eentje die van alles een beetje weet, maar van niets echt veel. Toen ik besliste om in Peru als vrijwilliger mee te draaien in een zelf gezocht en gevonden weeshuis, was ik niet goed voorbereid. Ik studeerde in juni af als maatschappelijk werker — en had daarvoor zo veel moeten studeren dat ik noch de tijd had om de Spaanse taal machtig te worden, noch om mijn conditie of nuttige vaardigheden te trainen.
In juli vertrokken we — mijn toenmalige geliefde en ik — voor een reis van een maand in Peru. In augustus belandde ik, na een spannende reis, in Ayacucho, een parel gelegen tussen Lima en Arequipa.
Ik had een naaisetje meegenomen. Naaien — dat behoorde tot mijn beperkte vaardigheden. Kleren herstellen.