Hemeltje lief, ik slaap amper.
Daarnet lag ik op de grond, in child’s pose,
beide handen plat op de vloer.
Ik kroop bijna naar buiten, om me op het gras te vleien.
Aarden, aarden — moeder aarde riep me.
Ik kon niet meer dan liggen en wachten
tot de storm overging.
De kinderen trokken hun eigen plan —
gelukkig kennen ze het al.
De boontjes en het vlees smaakten me niet,
enkel wat aardappelen.
Ik voel het steeds sterker.
Eindelijk kreeg ik hulp van dichtbij — écht dichtbij.
Mijn nicht stuurde net op tijd een bericht.
Ik was alweer verdwaald in mijn eigen droom.
Ik weet nu dat ik niet alleen ben,
dat we samen verder gaan.
Ik wil voelen, zien, ruiken.
Ik wil vlees en bloed.
Hard gaan, inhouden, telkens opnieuw
mijn grenzen bewaken.
Kijken. Aftasten.
Al merk ik dat ik anders ben,
dat er iets in me is veranderd.
Ik wil voelen, en zijn.