Mannengezwets, door al die eeuwen heen.
En wij — wij die voor hen dienden,
voor hen baarden,
voor hen kookten.
Waar is het evenwicht waar ik zo naar zoek,
tussen hem en haar, tussen leven en dood?
Wij die de kruiken droegen,
wij die de bevlekte lakens wasten,
wij die leeg waren —
als moeder, als vrouw, als min,
niet min.
Hoe deden wij dat toch?
Ik zie dat hij, en zoveel anderen met hem,
wél de tijd hadden om te lezen,
om te leren,
om gedachten te vormen
die ons naar betere tijden zouden leiden.
Hoe konden we toezien
dat zij dat wél mochten?
En wij, die zo vochten — waarvoor toch?
Ik vroeg me af: waarom mag mijn broeder meer dan ik?
Wij mochten niet meer.
Niet meer — niet meer — zíjn,
zoals anderen dachten, in verre tijden.
Hoe deden wij dat toch?