Mandala in Coronatijd

•

Hoofd vol pijn. Lichaam vol pijn. Cellen die trillen nadat ze geschud hebben. TRE is het enige waartoe ik mezelf kan aanzetten. Het enige, op dit moment.

De eerste week van de lockdown zit er bijna op. Vandaag besliste de regering om de grenzen te sluiten — op een paar uitzonderingen na. Geen vervoer meer, geen uitstapjes, geen verplaatsing naar een tweede verblijf.

Ik weet niet hoe de komende weken eruit gaan zien. Dat maakt eigenlijk ook niet uit. Het loopt hier prima. We houden een bepaalde regelmaat aan: om 10u samen ontbijten, om 13u samen middageten, rond 18u avondeten. Samen eten is echt leuker. We zijn ook veel zuiniger — en de kinderen begrijpen het wel, denk ik.

Even gecrasht. Heel even maar. Om nu weer uit de put te klimmen. Even de tijd nemen om de nodige energie terug op te bouwen. Klap neer — maar de enige weg is omhoog. Op mijn eigen tempo.

Vandaag mandala’s getekend — de kinderen deden mee. Leuk om hen te zien kleuren en om te zien dat ze het leuk vinden. Niets moet, alles mag — dat is zo’n beetje mijn principe dezer dagen.

Sinds ik mijn gezondheid grotendeels kwijtraakte, lukt het me niet meer om mee te draaien in de mallemolen van het leven. Ik leef in traagheid. En wanneer het nodig is om te versnellen, geeft mijn lichaam al snel aan dat het niet meer kan. Dat gebeurde ook de laatste weken weer — rugpijn, verkrampte bovenrugspieren. De kinesist doet haar best om dat los te krijgen. De bijkomende hoofdpijn kan daar ook vandaan komen. Kan — want met Covid-19 weet ik niet goed meer wat waarvan komt. Ik vermoed een samenloop van omstandigheden.

Die vertraging zijn veel mensen niet gewend. Ik leef al sinds april 2018 op deze manier — mijn eigen, natuurlijke ritme. Ik moet zeggen dat ik weinig last heb van angst. Misschien overvalt het me af en toe even — de toekomst zal zijn wat ze zal zijn, daar heb ik nu geen vat op. Het is vooral het verleden dat me parten speelt. De triggers in mijn leven nu zorgen ervoor dat ik terugval — naar mijn littekens. De littekens van mijn ziel, voelbaar in mijn lijf. Telkens weer.

Normaal mediteer ik — en in die stilte lukt het me om met de hoofdpijn en andere pijntjes te ademen. Dan zijn ze nauwelijks voelbaar. Dan verkeer ik even in bliss. Maar nu even niet. Hopelijk morgen.

De eerste klap kreeg ik twee weken geleden van mijn moeder — die plots de opvangbeurt die gepland stond afzei, omdat ze naar mijn broer ging. Ik liet voor de eerste keer in mijn leven mijn ongenoegen en teleurstelling horen. Ze vroeg of ik mijn les niet kon verzetten. Een groepsles verzetten? Echt? Tja, ik moest het er maar mee doen.

Ik was bij een vriendin — gelukkig kreeg ik van haar wat begrip en steun. En toen belde mijn moeder terug: ze kon toch, ze had iets geregeld om vroeger naar mijn broer te gaan. Maar het kwaad was al geschied. De klap was toegediend — en mijn vertrouwen mee de grond in geslagen.

Vandaag had ik mijn moeder aan de lijn. Het lukt me niet meer — na dat gedoe met mijn ex-partner. Ik heb het haar gezegd. Ik zei ook dat iedereen moet doen wat ze zeggen dat ze zullen doen — en zij ook. Ik vertelde haar over de klap die ik van haar kreeg. Dat het pijnlijk was. Dat dit het verhaal van mijn leven is — steeds opzij geschoven worden voor mijn broer.

En weer klopte het niet: ze zou ophangen als ik niet stopte. Ik had al opgehangen voordat ze die woorden goed had uitgesproken.

Mijn vader belde terug. Tegen hem kan ik het toch iets beter overbrengen — dat ik gevoelig ben, dat ik door alle ellende hard ben geworden, maar dat ik dat eigenlijk niet ben. Integendeel: ik ben supergevoelig, en daar moeten ze rekening mee gaan houden. Hij ontkende mijn gevoel niet. Ze gaan er rekening mee houden — of toch proberen.

De tweede klap kreeg ik woensdag. De kinderen openden een envelop met het geboortekaartje van de baby. Heel mooi. Maar heel pijnlijk voor mij. Op het kaartje stond een wieg, met daarboven de kinderen en mijn ex-partner en zijn partner getekend. Echt pijnlijk. Picture perfect. Happy family.

Ik kon nog samen met de kinderen het kaartje bewonderen — maar ondertussen stortte ik in. Weer een klap. Mijn zoon ging naar bed, en toen belde mijn ex-partner. Ik had echt geen zin om te praten. Mijn zoon had koorts — op dit moment nog steeds. Ik was kortaf en hing snel op.

Maar toen bedacht ik me — de woorden van mijn therapeut: “Uit het op het moment dat het er is.” Ik vermoedde dat ik het waarschijnlijk niet goed zou aanpakken — maar toch. Ik walgde. Trilde van woede, van ontgoocheling, van — ik weet niet wat.

Ik belde hem terug. Ik zei hem, huilend, dat het een heel mooi kaartje was, maar dat het pijnlijk voor mij is. Dat hij me had moeten voorbereiden, op een of andere manier, of toch iets tegen de kinderen had moeten zeggen. Hij vond het een leuke verrassing voor hen.

Nog wat berichten volgden — berichten van boosheid, van frustratie. Ik sluit me af. Dat hij me met rust laat met zijn filosofieën en uitleg. Ik die hem altijd moet begrijpen.

En nu ebben. Wegëbben, die pijnen in mijn lichaam. Een lichaam dat zo broos is geworden na zoveel. Littekens. Na te weinig — nog steeds te weinig tranen.

We maakten leuke mandala’s. En morgen is een nieuwe dag.

•