Tantric Dance op zaterdag. Die avond voelde ik het weer stromen. Ik kan steeds beter mijn grenzen aangeven — en toch heel open blijven. Volgen, bewegen, trippelen, lachen. Het was weer zalig.
Je krijgt telkens een andere partner — telkens opnieuw voel je welke energie de dans met je wil delen, hoe hij je gaat leiden, hoe hij je meeneemt op een reis naar jezelf. Ik voelde hem meteen goed aan, vanaf de eerste dans. En daarna verlangde ik naar meer.
Aan de structuur van zijn shirt kon ik hem herkennen — en toen de rollen omdraaiden, ging ik hem leiden. In het begin nog wat onhandig, maar toen ik zelf mijn ogen sloot, kwam het vanzelf. Zo fijn. Zo mooi.
Hij kwam terug naar mij. Ik rook hem — zijn zoete geur. Stond hij achter mij, of naast me bij iemand anders? Nee — bij mij. Ik was verrukt. Hij raakte me aan en trok me dichter naar zich toe. Mijn rug leunde tegen hem, en ik kon hem voelen en ruiken. Ik liet mijn hoofd in zijn hals vallen en verzonk in zijn armen. Onze lichamen versmolten. Ik draaide me om, onze armen raakten verstrengeld, mijn lijf plakte tegen zijn borstkas. Zijn spieren spanden zich, en ik kon niets anders dan me laten meevoeren op het ritme van zijn lichaam. Ik kon hem niet meer loslaten. Zo dansten we de voorlaatste dans.
Ik kon hem niet laten gaan voor ik zijn naam kende. Niet zoals vorig jaar, toen ik mijn danspartner — degene die me liet dansen met de sterren — liet gaan, en hem nooit meer terugvond. Die zoektocht heb ik nooit opgegeven — maar deze keer kon ik hem niet laten gaan.
Ik bleef nog wat ronddrentelen in de zaal en liep net voor hem naar buiten. Daar sprak ik hem aan.
“In English please,” zei hij.
Hij werkte en woonde in Brussel als software engineer, maar kwam oorspronkelijk uit Boedapest — Hongarije dus. Ik stelde me voor. Hij vroeg meteen naar het accent op de o, waar het naartoe was, mijn Hongaarse achternaam.
We praatten wat, en gaven elkaar nog een omhelzing. En daar was het weer — alsof je je beste vriendin innig omhelst, eentje die je al lang kent, die jou kent. Vreemd, opnieuw: niet willen loslaten, geen afscheid, niet weggaan. Hij nodigde me uit voor een feestje in Maastricht, waarvoor ik bedankte. Hij lijkt me veel jonger, sprankelend enthousiast. Hij zei dat we elkaar zeker nog zouden zien. Zeker.
En nu een beetje chatten — al wil ik niet de verkeerde indruk wekken. Mijn pas verworven vrijheid als — tja, als wat eigenlijk? Bestaat daar een naam voor? Vlinder, misschien — zo noemde een goede kennis me ooit. Eentje die zich het best voelt wanneer ze doet wat haar ziel haar ingeeft. Eentje die zich niet kan binden — of beter: niet wil binden. De wereld is te mooi om vast te zitten in een vakje. Het vakje “echtgenoot” beviel me al twee keer niet. Het vakje “nooit meer een man” is onrealistisch. Dus spring ik naar “single maar niet beschikbaar” voor de een, en “absoluut verkennend” voor een ander — en morgen is het waarschijnlijk weer iets anders. Ongetwijfeld.
En dat is oké. Wispelturig, zou de een het noemen. Te gemakkelijk, te open, te enthousiast, te speels, te begerig, te uitdagend, te veel van alles. Ja — ik ben zo eentje, een “te veel”-vrouwtje. En daar ben ik trots op.
Ik hou ook heel erg van mezelf wanneer ik word meegenomen in een dans. Dan komt mijn vrouwelijke kant helemaal tevoorschijn. Dan hoef ik niets — enkel volgen. Het mannelijke volgen, ontvankelijk zijn, meegaan. In mijn dagelijks leven is mijn mannelijke energie sterk aanwezig. Daadkracht mis ik niet. Soms zelfs zoveel dat mannen zich geïntimideerd en onzeker voelen — soms best grappig. En dan geef ik ook geen krimp — nog een schepje erbovenop met mijn advies over chape of egalisatie.