De agressie zit er nog en gaat niet weg. Boos omdat ik niet gehoord word, boos omdat ik niet gezien wordt. Boos omdat mensen niet zien dat ik gewoon in vrede wil leven — zonder issues, zonder strijd. In vrede, samen met mijn kids, want zij zijn het leven.
Toch blijft mijn leven een strijd. Die altijd durende confrontatie met pijn.
Laat het toch zijn. Laat mij met rust. Ik wil gewoon zijn, alleen zijn, in vrede met mezelf zijn.
En dan die explosie van emoties die ik niet onder controle kan houden. Of misschien wil ik ze niet onder controle houden. Ik ben het beu om te zwijgen, om alles in de doofpot te stoppen — de leugens, het goedpraten, de stilgezwegen verwijten.
Ik stamp en spuw als een spuwende draak. Het gedrocht diep in mij — ik kan het niet bedwingen, ik wíl het niet bedwingen. Laat het vrij, laat het opgaan in vlammen en herrijzen als een feniks. Om vrij te kunnen zijn van alle pijn.
Pijn, wat heb ik genoeg van je. Laat me los, laat me gaan. De littekens zijn verborgen, diep in mij, voor niemand zichtbaar. Bewondering van velen om wie ik ben en wat ik doe — ja, bewondering voor die littekens diep in mij, want zij vormden mij tot wie ik ben.
En dan: alleen. Waarom is zij alleen? Ze kan het niet verdragen — het dragen van andermans pijn. Wie kan haar dan verlichten? Ze zal het zelf moeten zijn.
